COCREATIE WERKVELD

TOEKOMST

THEMA 2

Evaluatie van de allereerste systeembrede analyse

Deze analyse was de eerste in de reeks die voorzien is in de periode 2020-2026. We beschouwen deze daarom als een pilot voor de komende jaren en doen vanuit onze ervaringen enkele suggesties naar de toekomst. Ook worden enkele elementen uit het Beoordelingskader voor systeembrede analyses van NVAO geëvalueerd.


Organisatie en proces


De eerste SBA startte in een bijzonder jaar, waarin de COVID-pandemie heel wat beperkingen oplegde. Als gevolg daarvan startte het proces later op dan voorzien. Dit leidde tot grote tijdsdruk en strakke timing waardoor ook bijvoorbeeld de afspraken rond een goede procesmatige werking en de aanlevering en uitwisseling van inhoudelijke input gelijktijdig verliepen. In de opstart van de oefening is tijd nodig om elkaar te leren kennen, een methodologie af te stemmen en een werkwijze te vinden. 


Toch kan de groep een mooi resultaat voorleggen en bleek zelfs het online werken mogelijk. Dit neemt niet weg dat fysieke samenkomsten – zeker voor het peer-to-peerevenement – meer mogelijkheden kunnen bieden. Op basis van de evaluatie van het proces zou het goed zijn wanneer een volgende systeembrede analyse in de periode voorafgaand aan het peer-to-peerevenement meer ruimte biedt voor gesprek en uitwisseling onder de deelnemende hogeronderwijsinstellingen onderling over de verschillende cases en het thema. Er was duidelijk behoefte aan bij de collega’s die de cases met good practices vanuit hun ervaring inbrachten. Dit inspireerde hen en had hen vooraf gemotiveerd om deel te nemen. Nu bleef het uiteindelijk bij een uitwisseling in een voorbereidende subgroep en een half uur per case op het peer-to-peerevenement.


Inhoudelijke werking


Er is een centrale vraag geformuleerd, waarbij in de beginfase reeds bleek dat het verplaatsen van de focus op het werken vanuit een onderzoeksvraag naar een focus op de uitwisseling van good practices vanuit de centrale vraag beter aansloot bij de opzet en het proces van de lopende analyse. In een eerste stap brachten de deelnemende hogeronderwijsinstellingen literatuur en bronnen aan en werden bestaande goede praktijken geïnventariseerd. Dit was de basis voor de analyse: welke goede praktijken bestaan er, welke uitdagingen zien we bij dit thema, welke tips voor de toekomst of voor anderen (die ermee aan de slag willen) kunnen benoemd worden, etc. Hoewel ook dit tot interessante inzichten leidde, voelde het voor de deelnemers soms aan als een gemiste kans dat we niet verder konden gaan. Grondiger literatuuronderzoek of bijkomende andere onderzoeksdaden – bijvoorbeeld een bevraging van het werkveld – had wellicht extra inzichten opgeleverd. Maar binnen het opzet van de systeembrede analyse en de beschikbare tijd was dit niet mogelijk.


Mede door de krappe timing en de tijdsdruk was er geen tijd om tussentijds afstand te nemen en expliciet aandacht te hebben voor de verwachtingen in het kader. Dat we het werk toch grondig aangepakt hebben, mag blijken uit het feit dat we er in deze eindrapportage toch in geslaagd zijn aan alle verwachtingen te beantwoorden. Dit neemt niet weg dat het benoemen van algemene lijnen, het signaleren of inschatten van trends en evoluties een luik is waarvoor apart ruimte gereserveerd dient te worden in het proces. Tussentijds expliciet teruggrijpen naar het kader om de juiste focus te houden, zal dit bevorderen.


Een tastbaar resultaat van deze systeembrede analyse is dat de vele gesprekken over de inhoud van de good practices en het proces en de aanpak van deze systeembrede analyse alvast geleid hebben tot een uitbreiding van het eigen netwerk of een verdieping van bestaande contacten tussen de hogeronderwijsinstellingen onderling en tussen de instellingen en NVAO en/of internationale partners. Dat alleen al is heel bevorderend voor toekomstige samenwerkingsprojecten, binnen of buiten de context van een systeembrede analyse.


Taken en rollen


De samenwerking tussen de deelnemende hogeronderwijsinstellingen en NVAO verliep in een open en constructieve dialoog wat vanzelfsprekend cruciaal is voor een goed resultaat. Gezamenlijk werd gezocht naar een goede aanpak gedurende elke fase van het proces. De rollen van NVAO en deelnemende instellingen waren aanvankelijk niet duidelijk. Naar de toekomst kan meegenomen worden dat de faciliterende rol van NVAO een meerwaarde is. De ondersteuner van NVAO heeft steeds als bruggenbouwer gemodereerd en gefaciliteerd waardoor er in vertrouwen samengewerkt werd. Ook was er onderling de nodige aandacht voor de werklast bij zowel NVAO als de instellingen. Het zoeken naar een evenwicht tussen de input van de instellingen en de noodzakelijke sturing vanuit NVAO werd benoemd en dit droeg sterk bij aan het vinden van dit evenwicht. Voor de toekomst is het aan te bevelen om vanuit het kader en vanuit de ervaring van deze analyse de rolverdeling tussen NVAO en de deelnemende hogeronderwijsinstellingen nog meer expliciet te maken. Dit, samen met een inschatting van de omvang van het verwachte engagement van de instelling, maakt de wederzijdse verwachtingen duidelijk. Dergelijke richtlijnen helpen de instelling ook in de beslissing tot deelname.


Betrekken van partners


We hebben met verschillende partners deze analyse doorlopen: medewerkers van NVAO, medewerkers uit diensten en opleidingen van hogescholen en externe (internationale) peers. Er is geen studentenvertegenwoordiging betrokken geweest. Misschien is dat voor de toekomst als mogelijkheid te overwegen zodat de centrale vraag ook vanuit de invalshoek van de student vorm kan krijgen. Studenten zijn wel al betrokken geweest bij het vastleggen van de kalender met onderwerpen voor een jaarlijkse systeembrede analyse tot 2025-2026. Ook biedt het publiek bekendmakingsevenement een gelegenheid om studentenvertegenwoordigers actief te betrekken.


Ook het werkveld is niet betrokken geweest. Nochtans is het werkveld voor het hoger onderwijs een belangrijke stakeholder. En zeker bij het thema Cocreatie met het werkveld, zou dit een meerwaarde geweest zijn. Binnen de groep was er wel de ambitie om het werkveld te betrekken en waren er ook concrete ideeën om dit vorm te geven. Maar ook op dit vlak was de beperkte ruimte binnen het tijdsframe een obstakel, waardoor we deze ambitie uiteindelijk hebben moeten loslaten.


Peer-to-peerevenement


Een belangrijk luik van de systeembrede analyse is het peer-to-peerevenement. Het is meteen ook een mijlpaal in het proces: er moet immers al voldoende kwaliteitsvol materiaal beschikbaar zijn om het evenement te organiseren. De deelnemers hebben het peer-to-peerevenement als zeer waardevol ervaren. Om de meerwaarde ervan optimaal te maken, zijn er ook hier enkele lessen te leren.


De input van de internationale peers is zeer waardevol: zij keken van op afstand en met internationale blik naar de aangeleverde cases. Dat er voor elke case feedback te vragen van twee peers, zorgde vaak voor een genuanceerde feedback met aanvullende inzichten. Het verdient aanbeveling meer tijd uit te trekken om de feedback van de peers voldoende aandacht te kunnen geven.


Net omdat het peer-to-peerevenement enerzijds veel energie vraagt van alle betrokkenen, maar ook veel meerwaarde biedt, is het belangrijk hiervoor voldoende middelen te voorzien.

  • Het kader voorziet minimaal twee internationale peers op het evenement: we hebben vastgesteld dat het voor dit thema te weinig zou zijn, zeker ook gelet op de doelstelling het thema in een breder internationaal perspectief te plaatsen. De input van internationale peers is zeer waardevol.
  • Gesprekken op het peerto-peerevenement zelf moeten voldoende ruimte krijgen. Voor de toekomst lijkt het belangrijk expliciet tijd te voorzien om conclusies te trekken uit de feedback van de peers.
  • Er kunnen maximum drie medewerkers per hogeronderwijsinstelling deelnemen aan het peerto-peerevenement. Dat blijkt te weinig, zeker als een instelling verschillende good practices inbrengt. Bovendien is vastgesteld dat het aantal deelnemers in een aantal gesprekgroepen te klein was voor een gesprek vanuit verschillende invalshoeken en ervaringen.
  • Een combinatie van online en fysieke gesprekken maakt het (ook financieel) mogelijk met meerdere externen te werken.

De keuze van de peers bepaalt in grote mate in hoeverre hun feedback nieuwe en relevante inzichten oplevert. Daarom vraagt ook de selectie van de peers de nodige aandacht (en tijd). Eventueel kan overwogen worden om ook peers te putten uit nationale netwerken, juist de kennis van sommige praktijken kan een diepere analyse bevorderen. Daarnaast was het ook interessant geweest als we voor de peers, naast eigen internationale contacten, meer hadden kunnen putten uit het internationale netwerk van NVAO.


Eindproduct


Het organisatiekader stelt dat systeembrede analyses inzicht geven in de stand van zaken rond een bepaald aspect van onderwijsbeleid en dit ter beschikking stelt voor de hogeronderwijsgemeenschap. Deze overzichtsrapportage geeft een staalkaart van bestaande goede praktijken, met de nodige diversiteit, op het vlak van cocreatie met het werkveld. Dit met een ingebouwde beperking in scope en resultaat op basis van de ervaringen van de deelnemende hogeronderwijsinstellingen. Bij de deelnemers waren enkel hogescholen betrokken, vanuit de Hogere Zeevaartschool Antwerpen en LUCA School of Arts waren er wel academische opleidingen betrokken.